Werkstuk en spreekbeurt groep 7
De opdracht
Thuis maak je een werkstuk over een onderwerp dat je interesseert. Daarover geef je een spreekbeurt aan de klas. Hieronder wordt beschreven hoe het werkstuk eruit moet zien. Ook krijg je tips voor het maken van een werkstuk en het voorbereiden van je spreekbeurt.
Hoe ziet het werkstuk eruit
Voorkant Tekening/plaatje over het onderwerp, titel en naam van de maker
Inhoudsopgave Welke hoofdstukken zijn er
Inleiding Waarom heb je het onderwerp gekozen
Hoofdstukken Minstens 5 hoofdstukken van 1 blz. + plaatjes (meer mag)
Nawoord Wat heb je ervan geleerd en wat vond je ervan
Boekenlijst Welke boeken (naam en schrijver) of sites heb je gebruikt
Tips voor het maken van een werkstuk!
1 Kies een onderwerp
2 Zoek informatie in boeken, op internet of vraag het aan mensen
3 Plak in de boeken memobriefjes bij teksten en plaatjes die je wil gebruiken
4 Maak een indeling: wat wil je eerst vertellen, wat dan en dan. Kies de hoofdstukken!
5 Zoek stukken tekst over het eerste hoofdstuk en ga dat lezen
6 Beschrijf daarna in je eigen woorden wat je gelezen hebt
7 Doe dit ook voor de andere hoofdstukken
8 Zet je tekst op de computer, ieder hoofdstuk op een nieuwe bladzijde
9 Maak tekeningen of zoek plaatjes. Bij elk hoofdstuk 1 of 2 plaatjes
10 Schrijf het nawoord en de inleiding
11 Maak de voorkant
12 Maak de boekenlijst en de inhoudsopgave
Tips voor het voorbereiden van je spreekbeurt!
1 Lees je werkstuk nog een keer heel goed door
2 Per hoofdstuk ga je bedenken wat je wil vertellen
3 Op een ander blad schrijf je steekwoorden. Aan de hand van deze woorden moet je het verhaal na kunnen vertellen. Een spreekbeurt is iets vertellen, niet voorlezen!
4 Probeer tijdens de spreekbeurt, de klas in te kijken en rustig te praten.
5 Laat dingen zien bij je spreekbeurt. Gebruik bijvoorbeeld Powerpoint, filmpjes, plaatjes, voorwerpen enz.
6 Eindig je spreekbeurt met een aantal vragen aan de kinderen. Zo kun je meteen controleren of ze goed naar je geluisterd hebben.
7 Oefen de spreekbeurt een keer thuis. Laat hem horen aan bijvoorbeeld je ouders, broers, zussen, opa’s, oma’s enz.
Met vragen kun je altijd bij de juf/ meester terecht.
Veel succes!!!